Artikel van Edwin Oden in

“Groei en Bloei” maart 2016


Meer dan de helft van hun leven wonen Jan Nauta (63) en zijn vrouw Nicolette (61) al op deze rustige plek in Drenthe, ingeklemd tussen een bos en een weiland, in de buurt van het dorpje Ruinen.

Op Jans gezicht verschijnt een milde glimlach zodra hij vertelt over de begintijd van hun tuin. Wat nu een grote, romantische wandeltuin is die van maart tot oktober dagelijks zo’n vijftig tot honderd bezoekers trekt, was in 1982, toen Jan en Nicolette hier arriveerden, een oude boerderij met 1,2 hectare weiland eromheen.

“Toen waren we nog helemaal niet van plan hier een grote bezoekerstuin te maken”, vertelt Jan. “We kwamen uit de stad Hoogeveen en wilden graag op het platteland wonen. We hadden behoefte aan rust en ruimte; verder reikten onze plannen toen nog niet.”

Jan bleef gewoon werken in de bloemenwinkel in Hoogeveen waar hij was opgegroeid; in zijn vrije tijd knapte hij de boerderij op en begon hij aan de tuin, die hij zoetjes aan steeds verder uitbreidde. “Het tuiniervirus kreeg me compleet te pakken”, gniffelt Jan.

Ter inspiratie bestudeerde hij historische tekeningen van oude Egyptische tempeltuinen. “Ik houd van klassieke strakke lijnen en het symmetrische van die oude tuinen: dat is fijn aan het oog en geeft rust.” Zo kreeg hij het plan voor twee hoofdassen die van de boerderij naar het einde van het weiland lopen, met daartussen vijf zij-assen. Door deze indeling ontstonden vanzelf allerlei aparte tuintjes. “We gaven elk tuintje een eigen thema, zoals de ‘zonnetuin’ met gele en oranje bloemen, de ‘regenboogtuin’ waar we alle kleuren van de regenboog hebben staan, en de ‘bloemenweide’, met eenjarigen en vaste planten in de kleuren lila-blauw-paars.”




Uiteindelijk zijn er 25 ‘thematuinen’ gekomen, die Jan en Nicolette sinds 2008 voor publiek hebben opengesteld.  Jan: “We vonden: als je zo’n grote tuin hebt, is het veel leuker hem niet alleen voor jezelf te houden. De entreegelden en onze kleine kwekerij leveren ons een zakcentje om een tuin van deze omvang te kunnen onderhouden. De tuinen vragen in totaal 60 à 70 uur tuinwerk per week.”

Het resultaat mag er wezen, maar het creëren van de tuin ging met vallen en opstaan. “Tuinieren is trial and error,” zegt Jan. “Neem de rozen. We hebben van alles geprobeerd: extra bemesten, extra sproeien, ga zo maar door. Op het laatst moesten we accepteren dat onze zandgrond gewoon te arm is voor rozen. Jammer maar helaas, als tuinman heb je je te schikken naar de plek waar je zit.”

Jan houdt ervan de tuin te veranderen. “Het leuke van tuinieren is dat het een proces is dat nooit eindigt. Vorig jaar hebben we vijf tuinen compleet vernieuwd. Alles eruit, de grond bewerkt met kalk, mest en compost, een nieuw beplantingsplan gemaakt en vervolgens nieuwe planten erin.” Hoe verzint hij zo’n  nieuwe thematuin? “Dat begint meestal met een paar planten. Dan denk ik ineens: deze drie bij elkaar, dat kan wat worden, bijvoorbeeld rode vlier, leverkruid en rode boerenkool. Maar als je die dan vervolgens bij elkaar ziet, merk je ineens dat er nog iets oplichtends bij moet. Dus kwamen er karmijnrode dahlia’s bij, en de donkerbladige, roodbloemige dahlia ‘Bishop of Llandaff’. Toen werkte het.”

Een tuin moet hier en daar verrassen, vindt Jan. “Dat is het geheim van een mooie tuin. Neem de Italiaanse tempeltuin, die heb ik verscholen achter een beukenbosje en een pad met bollen buxus en haagbeuk. Je komt het hoekje om en bam! daar zie je de Italiaanse vijver van veertien meter lang, hoge taxussen erlangs, met daarvoor witte calla’s.” In het water drijven krabbescheer en roze waterlelies. Het tempeltje met het klassieke standbeeld, aan het einde van de vijver, trekt voor het oog alles bij elkaar. Trotse glimlach: “Zelf getimmerd. Het lijkt heel wat, maar het was helemaal niet moeilijk om te maken.